It's in the air

28/05/2012 - Pinksteren. Een raar woord eigenlijk. En een raar feest. Iedereen is blij met een vrije dag, bijna niemand weet precies wat we vieren. Iets met apostelen en vlammetjes op je hoofd. Dat ze ineens in een heleboel talen tegelijk met elkaar konden praten. Maar dwars daar doorheen is het ook een ander feest. Van lentebloemen en pinksterbruiden. Op die dag vond de allereerste verhalentuin plaats (lees verder)

als alles meewerkt

Vooraf kan ik precies verzinnen wat er mis kan gaan: het regent, er komt niemand, de taart verbrandt, er is teveel taart (of te weinig). Niemand kan de tuin vinden...

Bijgelovig ben ik ook. Ik zag het als een gunstig voorteken dat ik eerst mijn verhalentuin had gepland op 27 mei, daarna het verhaal had uitgekozen over vliegen, en er toen pas achter kwam dat het Pinksteren was. Ik verklaarde het bij voorbaat tot gelukt. Al zou er maar één iemand komen... En dat die zou komen wist ik, één iemand had zich aangemeld en niet de minste: Ibrahim Selman. Een á deux met Ibrahim op zondagochtend. Ook niet gek.

Toen ik 's ochtends buiten kwam zag ik iets roods liggen op het terras. Dun papier. Een neergedaalde geluksballon. Precies voor mijn voordeur. Super.
Bijgeloof of niet - het geluk deed zijn werk. De zon scheen, de madeliefjes bloeiden, de notenboom wierp schaduw en de zeemeeuwen en één vliegtuig kwamen precies op het juiste moment overvliegen. Wat is het toch een mooi en rijk verhaal, Jonathan Livingston. Het gesprek na afloop duurde eigenlijk veel te kort. Ik durfde nog niet - maar van het publiek kreeg ik te horen dat het best veel langer had mogen duren. 
En dat ze graag wéér een verhaal willen horen. En het allerliefst het verhaal dat ik op dat moment vertellen wil.
Dus dat doen we op 17 juni. 

pinksterballon en zwarte rook

Na het verhaal en dialoog ging het gesprek bij thee en taart dus gewoon door. Mooiste compliment kwam van de achterburen, die een zoon van vijftien hebben die Jonathan heet. 'Ik dacht dat ik het verhaal nu wel zo'n beetje kende. Maar vandaag hoorde ik er weer allemaal nieuwe dingen in. Ik had hem toch mee moeten nemen.'
De drie meiden van vijftien, die op kussens vooraan zaten te luisteren, praatten de volgende ochtend aan het ontbijt nog na. 'Wat gebeurde er nou eigenlijk , toen die ene meeuw zich te pletter vloog tegen de rotswand?' Was dat nou de hemel, of leerde hij ineens om zich te verplaatsen zo snel als een idee?'

Voor het zover was werd het nog avond. En was de geluksballon er nog. Zou dat kunnen? Zo'n ballon nog een keer oplaten? Met behulp van een stukje ijzerdraad maakte ik er een aanmaakblokje aan vast. En zowaar: de ballon vulde zich met warme lucht en begon te drijven. Eerst een boom in. Maar inplaats van daar te blijven haken, draaide hij zich los. Heel laag dreef hij over het kanaal. Drie passanten keken met ons gespannen of hij misschien één van de jachten in de Sixhaven in de fik zou steken. Een zwarte roetwolk maakte dat hij er heftig uitzag. Toen ineens het wonder. Bij de volgende groep bomen steeg hij statig omhoog. Hoger en hoger, het IJ over. Aan de andere kant van het IJ zelfs over de hoge flats. Een laatste roetwolk. Hij vlamde nog één keer op. Toen daalde hij achter de flats en uit het zicht.
Ik ben benieuwd wie hem daar vanochtend op de stoep heeft gevonden.

Die is bij deze gratis uitgenodigd op de volgende Verhalentuin. Dan is er weer taart. Misschien kruisbessenaart, als ik dit jaar sneller ben dan de duiven.